Member State report / Art9-2024 / 2024 / D6 / Belgium / NE Atlantic: Greater North Sea
| Report type | Member State report to Commission |
| MSFD Article | Art9 |
| Report due | 2024-10-15 |
| GES Descriptor | D6 Sea-floor integrity/D1 Benthic habitats |
| Member State | Belgium |
| Region/subregion | NE Atlantic: Greater North Sea |
| Report date | 2026-01-13 14:08:15 |
GES component |
D6
|
D6
|
D6C1
|
D6C2
|
D6C3
|
D6C4
|
D6C5
|
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Marine reporting units |
|
|
|
|
|
|
|
Features |
|
|
|
|
|
|
|
GES description |
The integrity of the seabed is such that the structure and functions of the ecosystems are ensured and that benthic ecosystems in particular are not disproportionately affected.
|
De biologische diversiteit wordt behouden. De kwaliteit en het voorkomen van habitats en de verspreiding en dichtheid van soorten zijn in overeenstemming met de heersende fysiografische, geografische en klimatologische omstandigheden.
|
Permanent changes to the seabed (km² or per cent relative to the natural size of the habitat) due to different human activities (including permanent changes to the seabed substrate or natural seabed morphology through physical restructuring, infrastructure development and loss of substrate through the extraction of seabed raw materials). Physical loss shall be understood as a permanent change to the seabed which has lasted or is expected to last for a period of two reporting cycles (12 years) or more. The assessment includes quantification of the lost area compared to the total natural size of all benthic habitats in the area under assessment (e.g. due to the magnitude of the anthropogenic change).
|
Physical disturbances (km² or per cent relative to the natural size of the habitat) due to different human activities (such as seabed disturbances) which change the seabed, but whose seabed can recover if the activities causing disturbances are eliminated.
|
- De ruimtelijke omvang van elk habitattype (km² of % t.o.v. natuurlijke omvang van het habitat) dat schade is berokkend, door wijziging van de biotische en abiotische structuur en de functies ervan (bv. door wijzigingen van de soortensamenstelling en hun relatieve dichtheid, het niet-voorkomen van bijzonder gevoelige of kwetsbare soorten of soorten die een essentiële functie hebben, de groottesamenstelling van soorten), door fysieke verstoringen.
- De ecologische kwaliteitscoëfficiënt zoals bepaald door BEQI (Benthic Ecosystem Quality Indicator), een indicator van de structuur en de kwaliteit van het benthische ecosysteem, heeft een minimumwaarde van 0,60 voor elk van de habitattypes. Deze indicator kan worden toegepast voor activiteitspecifieke beoordelingen (bijv. baggerstort, zandwinning, windmolenparken).
- Mate van fysieke verstoring van benthische habitats: visserij met mobiel vistuig dat de bodem raakt (OSPAR BH3)
|
- De omvang van het verlies van het habitattype, als gevolg van antropogene belastingen, is niet groter dan een vastgesteld deel van de natuurlijke omvang van het habitattype in het te beoordelen gebied.
- De maximale oppervlakte van een breed habitattype in een beoordelingsgebied dat verloren mag gaan, is 2% van de natuurlijke omvang (≤ 2%).
- Het ruimtelijk bereik en de verspreiding van EUNIS-habitats van niveau 2 (slib tot modderig zand, zand, grove sedimenten) en dat van grindbanken fluctueren (ten opzichte van de referentietoestand zoals beschreven in de initiële beoordeling) binnen een bereik dat beperkt is tot de nauwkeurigheid van de huidige verspreidingskaarten.
- De verhouding tussen oppervlakken van hard substraat (meer bepaald oppervlakken gekoloniseerd door epifauna van hard substraat) en oppervlakken van zacht sediment (meer bepaald oppervlakken bovenop hard substraat die de ontwikkeling van substraatfauna verhinderen) mag geen negatieve trend vertonen (proefopvolging in twee testzones).
|
- De omvang van de negatieve effecten van de antropogene druk op de toestand van het habitattype, met inbegrip van de wijziging van de biotische en abiotische structuur en functies, bedraagt niet meer dan een bepaald aandeel van de natuurlijke omvang van het habitattype in het te beoordelen gebied.
- Het maximale aandeel van een benthisch grootschalig habitattype in een beoordelingsgebied dat negatief beïnvloed kan worden, is 25% van de natuurlijke omvang (≤ 25%). Dit is inclusief het deel van het benthisch grootschalig habitattype dat verloren is gegaan.
- Een benthisch grootschalig habitattype wordt negatief beïnvloed in een beoordelingsgebied als het een onaanvaardbare afwijking vertoont van de referentietoestand in zijn biotische en abiotische structuur en functies (bv. typische soortensamenstelling, relatieve abundantie en groottestructuur, gevoelige soorten of soorten die essentiële functies vervullen, herstelbaarheid en werking van habitats en ecosysteemprocessen).
- De algemene ecologische kwaliteitscoëfficiënt zoals bepaald door BEQI (Benthic Ecosystem Quality Indicator), een indicator van de structuur en kwaliteit van het benthisch ecosysteem, heeft een minimumwaarde van 0,60 voor elk van de zachte habitattypes.
- Het bioturbatiepotentieel (BPc), een indicator van het functioneren van het benthisch ecosysteem, heeft een minimumwaarde van 0,60 (zoals bepaald via de BEQI-procedure) voor het Abra alba habitattype in de herfst.
- Een stijgende trend in de gemiddelde dichtheid (of frequentie) van ten minste één soort in zowel de langlevende/langzaam-producerende soortgroep als de belangrijkste habitat-structurerende soortgroep in slib tot modderig zand en fijn tot grof zand.
- Toestand van benthische habitatgemeenschappen: Margalef diversiteit in Regio II (Noordzee) (OSPAR BH2).
- Positieve trend in lichaamsgrootte van de grotere benthische soorten (bijv. Alcyonium digitatum, Majidae spp., Buccinum undatum).
- Positieve trend in de frequentie van voorkomen of dichtheid van de volwassen of volgroeide kolonies van ten minste de helft van de belangrijkste langlevende soorten: Ostrea edulis, Mytilus edulis, Buccinum undatum, Alcyonium digitatum, Cancer pagurus, rechtopstaande sponzen (zoals Haliclona oculata) en rechtopstaande Bryozoa (zoals Alcyonidium spp. en Flustra foliacea).
- Positieve trend of geen afname in soortenrijkdom en/of diversiteit binnen de taxa die typisch geassocieerd worden met harde substraten.
- Toename in ruimtelijke dekking van Spirobranchus triqueter en Sabellaria spinulosa.
- Ecologisch positieve trend in op eigenschappen gebaseerde indices/indicatoren.
|
Determination date |
202502 |
202502 |
202502 |
202502 |
202502 |
202502 |
202502 |
Update type |
DeterminationSame |
DeterminationNew |
DeterminationSame |
DeterminationSame |
DeterminationNew |
DeterminationNew |
DeterminationNew |
Justification for non-use of criterion |
|||||||
Justification for delay in setting EU/regional requirements |